Hi-ha-hondedrol…

Het is een onrustige, drie keer opgebroken nacht geweest en ik stap puur op de adrenaline in de auto om naar Hillegom te rijden. Er waren een aangereden kat, een bevallend konijn en  doodzieke hond met darmklachten. Geen van de  eigenaren was bekend bij ons, maar ieder voor zich weigerde naar Amsterdam af te reizen, alwaar hun eigen artsen hen naar doorverwezen. Via internet zijn wij dan snel gevonden! Dienstdoen is niet voor iedereen zo volstrekt vanzelfsprekend als voor ons.  Met toch nog drie uur slaap en met een grote dosis voldoening vanwege de geredde dierenlevens stap ik bij de praktijk uit en ga meteen mijn kleine hondjes uitlaten. Toevallig komt ook net een assistente aan en ik stel voor ook haar hond even mee te nemen. Prima ! Ik loop een zijstraat in, mijn honden lopen kwiek voorop en de oudere assistente-hond sloft wat achter me aan. Opeens hoor ik een fel getoeter en er stapt iemand, die zijn kind bij oma brengt, uit zijn auto: “Ken je die drol niet opruimen, kl@#tzak?” Verbaasd kijk ik om en ik zie dat de derde hond midden op de weg zit te poepen. Verschrikt  tast ik in mijn jaszak om een poepzakje te pakken en zeg meteen: “Sorry, ik zag het niet” . De man reageerde als door een wesp gestoken: “Dat zeggen de g#dverd#mme allemaal.” Daar werd ik even niet goed van. Ik ga altijd op pad met genoeg poepzakjes en indien nodig loop ik meters terug om uitwerpselen op te ruimen. Vaak pak ik ook nog wat afgekoelde en opgedroogde ontlasting van andere honden op als er nog ruimte is in het zakje. Ik voel me dus zeker niet aangesproken en zeg: “Dat moet je tegen mij niet zeggen, ik ruim het altijd op!” “Je moet het gewoon opruimen, viezerik, als ik niet had geroepen was je doorgelopen”. Ik ruim het op en zeg: “Je ziet toch dat ik het opruim, net zoals als altijd en ik zei toch sorry.” Ik loop door en ik hoor hem zeggen: “Dat is makkelijk praten, ja, maar zo kom je er niet mee  weg. En ik weet wel wie jij bent: de dierenarts” Ik maak de beweging die voetballers  maken als ze in een stadion vijandige spreekkoren horen door met mijn duim en vier vingers een bla-bla-bla gebaar te maken. De pathetische kerel moet door zijn moeder en vrouw in bedwang gehouden worden, omdat hij mij razend te lijf dreigt te gaan. Ik besef dat ik niet echt kan thuiskomen met twee blauwe ogen, een gebroken jukbeen en zonder voortanden en tegen mijn vrouw moet slissen dat ik “ffuzie heb ffehad om een ffondfedfrol”. Dus ik loop vastberaden door. Ongeschonden bereik ik even later de praktijk met in beide handen een overvol poepzakje, waar ze me vragen waarom ik zo bleek zie. Pas om half elf is mijn hartslag genormaliseerd. Net nadat ik succesvol en opgelucht een konijntje van negen(!)  jaar aan een geweldig grote ooglidtumor inclusief plastisch chirurgische correctie heb geopereerd.